DE BOODSCHAP AAN MARIA ANNO 2017

    

‘Wees gegroet, Maria, vol van genade. De Heer is met u.’ Deze episode uit het evangelie waarin de aartsengel Gabriël Maria aankondigt dat zij de zoon van God ter wereld zal brengen, is een van de meest afgebeelde momenten uit het leven van de Moeder Gods, de tweede in rang in de hemelse hiërarchie.

 

 F 4843 a 12    

Eén aankondiging – verschillende benaderingen

   

Soms – zoals in het overbekende schilderij van Fra Angelico (Firenze 1395- Rome1455) - zie je Maria heel devoot en ontvankelijk knikken. Soms - zoals in het altaarstuk voor de kathedraal van Siena van de Italiaanse meester Simone Martini (Siena 1284 – Avignon 1344) - zie je Maria ineenkrimpen en terugwijken van de zelfzekere boodschapper met een toch wel vreemde missie. We zien haar gestoord in de dagelijkse bijbellezing, de duim gepriemd tussen de bladzijden. We zien de vaas met lelies als symbool voor haar maagdelijkheid. We zien de olijftak in de hand van Gabriël, verwijzing naar Noah en de duif. Het werk werd geschilderd in 1333, een tijd waarin Europeanen zich dolgraag verdiepten in hun hang naar het wonderbaarlijke.

 

De Maria uit het werk van de Nederlander Ruud Bartlema (°1944) zit er veel meer ontspannen bij. Ze weet wat er in de wereld te koop is, lijkt een sterke persoonlijkheid die met een open blik de toekomst in kijkt. De boodschap verbaast haar niet, het is hààr kans om actief een inbreng te hebben in het evangelieverhaal. Geen doetje, zo lijkt het toch. Of zijn het onze ogen die dit willen zien?

   

Hoe zag Maria er uit?

   

Maria is van alle tijden en van iedereen. Hoe ze wordt afgebeeld, bepaalt de heersende cultuur van het land. Een onderdanige blik, schuchter of zelfzeker? Twintig eeuwen lang gaven gelovige handen en meer wereldse kunstenaars haar vorm: in kerken, kloosters en kapelletjes, op bedevaartsplaatsen, op straathoeken en in huizen. Ze nam soepel trekjes en taken van haar voorgangsters uit andere religies over. Ze spiegelde zich naar de vrouwen van de landen waarin ze vereerd werd: huidskleur, kapsel, ja zelfs jurk. In vele opzichten is ze de meest invloedrijke en de meest afgebeelde vrouw ter wereld. Daar kan geen popster tegen op. Je zou haar een cultureel en religieus icoon kunnen noemen, een ‘grande dame’ die ook in de literatuur en muziek haar sporen nalaat.

   

Wat vertellen de schriften over haar?

 

Een vraag waar we weinig antwoord op weten. De bekendste verhalen over Maria worden verteld in de vier evangelies. Maar er zijn ook de apocriefe evangelies, vroeg-christelijke boeken, waarin Maria terug te vinden is. Dat zij uit het geslacht van David stamt en dus illustere voorouders heeft, weten we. Maar dat haar moeder Anna maar liefst driemaal getrouwd was en drie dochters heeft gekregen, is minder bekend. Kort nadat de kleine Maria op driejarige leeftijd aan de tempel was toegewijd, stierf Joachim. Anna bleef dus alleen in huis achter. Ze verlangde naar weer een kind om zich heen en huwde met Cleopas. Ook bij hem kreeg zij een dochter, die zij weer Maria noemde: voor haar een constante herinnering aan haar oudste dochter. Ook Cleopas stierf. Anna huwde voor de derde keer - al moet zij nu toch al aardig op jaren zijn geweest - en wel met een zekere Salomas. Bij hem kreeg zij een derde dochter, die zij weer Maria noemde. Deze wordt van de beide andere Maria's onderscheiden door haar Maria Salome te noemen. In de late Middeleeuwen en de vroege Renaissance werden deze drie Maria's aangezien voor de drie Maria's die onder het kruis stonden.De tweede Maria in bovenstaand verhaal zou vier zoons gehad hebben. Zij worden in het evangelie betiteld met 'Jezus' broeders'. Het blijken dus neven te zijn. Dat is meteen een mooie verklaring voor het feit dat Maria geen kinderen meer zou hebben gekregen. De derde Maria, Maria Salome, trouwde met Zebedeus. Dat klopt met de evangelies. Zij kregen twee zonen: Jakobus en Johannes. De laatste wordt beschouwd als Johannes de evangelist. Maar met deze uitweiding - het lijkt wel een koffiekransjespraatje - zijn we ver afgeweken van de eerste Maria.

   

Maria op een piëdestal

   

De behoefte om haar toch beter te kennen, haar dichter naar ons toe te trekken was zo groot dat talrijke legendes en volksvertellingen de hiaten opvulden. In deze wonderverhalen staat Maria altijd aan de kant van de zoekende, eigenzinnige en struikelende mensen.

De voorbeeldfunctie die Maria opgedrongen werd, is niet gering. Voor jonge meisjes en vrouwen is zij het gedienstig, verlegen meisje in een schoon en opgeruimd huis. Voor moeders is zij het summum wat een moeder moet zijn: liefde, bezorgdheid, het zich wegcijferen voor het Kind. In het jaar 649 werd tijdens het Concilie van Lateranen de eeuwigdurende maagdelijkheid van Maria vastgelegd. Theologisch klinkt het fraai: de Maagd Maria. Een verwijzing naar een bovennatuurlijke geboorte van een goddelijk persoon is ook in oudere religies gebruikelijk. Het benadrukt de verheven status. Maar het christelijke dogma ondervond nogal wat weerstand. Via ingewikkelde theorieën probeerde de kerk de maagdelijkheid van Maria uit te leggen.

     

Maria als spiegel voor onze levensweg

   

Ingewikkelder hoeven we het niet te maken. In het leven van de bijbelse Maria herkennen we ervaringen die een mens op zijn levensweg opdoet. Ze is moeder van mensen en moeder van God. In staat om de nietige mens te begrijpen, te troosten. Een veilige haven, en - met permissie gezegd - een oer-moeder/godin die in alle religies terug te vinden is.

   

De engel voert de regie

   

De engel is een constante in het bijbelse levensverhaal van Maria. Nog voor haar geboorte brengt hij haar ouders bij elkaar. In de tempel voedt hij het meisje Maria. Een goddelijk teken duidt haar aan als vrouw voor de weduwnaar Jozef. De engel vertelt haar dat ze de moeder van Gods zoon zal worden. In de geboortenacht verkondigt een schare engelen de geboorte van het Kind. Tot slot dragen engelen Maria aan het einde van haar leven naar de hemel. Als dat geen fraaie rode draad is?

  

Nathalie

 

 

ADVENT – OORSPRONG EN GESCHIEDENIS

 

Advent is afgeleid van het Latijnse advenire (naderen) en adventus (komst). Deze woorden werden gebruikt bij de troonsbestijging van de keizer, het eerste officiële bezoek van een vorst of de komst van een godheid naar de tempel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat christenen net deze term kozen om de periode aan te duiden, waarin we de komst van Jezus op aarde, zowel in het verleden als in de toekomst, verwachten.

 

In het jaar 380 n.C. wordt voor het eerst melding gemaakt van de Advent in de kerkelijke geschriften van het concilie van Zaragoza. Volgens deze documenten was de adventspraktijk gangbaar binnen het christendom. Het is pas vanaf de vijfde eeuw dat we er zeker van kunnen zijn dat Advent ook daadwerkelijk gevierd wordt. Toen bepaalde bisschop Perpetuus van Tours dat er in de periode van 1 november tot 6 januari drie maal per week gevast moest worden. Vermoedelijk werd dit gebaseerd op een Oosterse traditie waarbij men gedurende die periode alle weekdagen vastte.

Hoogstwaarschijnlijk houdt deze vastenperiode verband met het feest van de Epifanie, dat in de Oosterse kerk een belangrijke doopdatum was. Net zoals men 40 dagen voor Pasen vastte, werd ook in deze periode een veertigdagentijd ingelast.

 

Het gebruik verspreidde zich via Spanje en Galicië naar Rome, het centrum van de Westerse kerk. De duur verschilde van streek tot streek (4 tot 6 zondagen voor de advent) en ook de inhoud was verschillend van streek tot streek. In Rome stond het Kerstmotief centraal, terwijl men in Gallië meer aandacht schonk aan de eindtijd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze tijd als een tijd van boetedoening werd. De liturgische kleur is nu nog altijd paars. De derde zondag van de Advent noemt men gaudete, naar het eerste Latijnse woord van het intredevers (Verheug u altijd in de Heer. Nog eens: verheug u! (Fil 4,4)). In plaats van een paars gewaad, draagt men dan meestal een roze, wat reeds verwijst naar de vreugde van Kerstmis.

 

Betekenis

 

Sinds het tweede Vaticaans concilie wordt de Advent gezien als een tijd van voorbereiding. Niet alleen op de viering van de menswording van Jezus met Kerstmis (eerste komst), maar ook een hoopvol uitzien naar zijn wederkomst (tweede komst). Daarom is de Advent ook een tijd van verwachting.

 

De liturgie wordt voornamelijk bepaald door het evangelie, maar ook de thematiek van de andere teksten zijn hierop afgestemd. Meestal wordt er gelezen uit de profeet Jesaja en het evangelie wordt meestal gekozen uit de teksten over Johannes de Doper. Beide figuren worden gezien als aankondigers van de Messias. Op de vierde zondag komt Maria als de verwachtende naar voren.

 

Adventskrans

  

In deze periode van het jaar wordt het later licht en vroeger donker. Bovendien is het dikwijls heel koud, waardoor men liever binnen blijft. Dikwijls steekt men de haard of de kachel aan of brandt men kaarsjes om het binnen gezellig en warm te maken.

 

Het gebruik van de adventskrans heeft zijn wortels in de Germaanse cultuur. De Germanen vierden winterzonnewende, het heiligste feest van het jaar. Het leek dat omstreeks 22 december de zon een aantal dagen stilstond aan de hemel: de zon werkte niet. Gedurende deze periode werkten de Germanen niet, uit eerbied voor de zon. Dit werd symbolisch uitgedrukt door een wagenrad aan het plafond van het huis te hangen, versierd met groene takken.

 

Ieder jaar vreesden de Germanen dat het licht en daarmee het leven zou uitdoven. Maar ieder jaar hoopte men dat de zon weer verder zou draaien. Om die hoop te ondersteunen brandden de Germanen grote vuren om de zon te ondersteunen. Deze vuren waren tegelijkertijd ook bedoeld als grondige reiniging van zichzelf, het huis en de haard, als afweermiddel tegen boze geesten en duisternis en om de zon en het nieuwe jaar welkom te heten. Een ander gebruik hierbij was dat men van stro en takken een rad maakte, als symbool van de zon. Dit rad werd in brand gestoken.

 

De adventskrans is een christelijke symbolische uitdrukking van verwachting en hoop. Het gebruik kent zijn oorsprong in de kloosters, waar men in de duistere kamers extra licht creëerde voor de advent. Voor de gelegenheid versierde men de lichtboog met groene takken en kaarsen. Met Kerstmis werd deze krans omhoog gehangen als een kroonluchter.

 

De meest gekende krans is de groene krans met vier rode kaarsen en het rode lint, tekens van leven en liefde, hoop op licht. Elke zondag van de Advent wordt 1 kaars meer aangestoken. Dit symboliseert de toename van het licht, het overwinnen van de duisternis, het groeien van de hoop en de verwachting naar de komst van de messias. Rood is de kleur van het leven, maar ook van de liefde en de hartstocht. Groene takken staan symbool voor het nieuwe leven na de koude winterdagen, voor hoop en leven, die ons, door de menswording van Gods zoon, in overvloed wordt geschonken.

 

Als men streng de kleuren van de liturgie volgt, dan plaatst men op de krans 3 paarse kaarsen en 1 roze kaars. De Advent is namelijk ook een tijd van inkeer en boete. Een andere mogelijkheid zijn gekleurde kaarsen, geordend van donker naar licht (vb. blauw, groen, oranje, geel).

 

De adventskrans is een christelijke, symbolische, beeldende uitdrukking van verwachting en hoop. Het woord advent, komt van het Latijnse 'adventus' wat 'de komende' betekent, 'God komt naar ons toe'. In de geboorte van Jezus herkennen christenen de menswording van God in de wereld. Hij is voor hen een 'lichtend' voorbeeld om naar te leven. Jezus' daden werden door mensen als een 'licht' in de 'duisternis' van hun bestaan ervaren. In hem herkenden ze Gods 'licht' voor de mensen.

 

Christenen zeggen van Jezus: 'Hij is het licht van de wereld'. Eveneens is de Advent de periode van verwachting van Jezus' wederkomst op aarde. De lezingen uit de bijbel in de periode van de advent verwijzen naar duisternis en licht in het leven.Ze doen ons stilstaan bij wat wij als licht en donker in ons eigen leven ervaren. We lezen er:  'De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan' (Rom 13,12) en 'Het volk dat rond dwaalt in het donker ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op' (Jes 9,1).Met het komen van Jezus met Kerstmis wordt de hoop levend dat het licht het wint van de duisternis. Nu en ook op het einde van ons leven en op het einde der tijden.

 

De Advent telt altijd vier zondagen  voor Kerstmis, maar omdat Kerstmis,altijd op 25 december  valt en niet per se op een zondag, kan het aantal weekdagen verschillen. De Advent duurt op zijn kortst drie weken en één dag.

 

De zondagen van de adventstijd heten 1e, 2e, 3e, 4e zondag van de Advent. De eerste zondag is traditioneel ook de eerste dag van het nieuwe kerkelijke jaar. In de Kerk begint het nieuwe jaar dus met de eerste zondag van de advent. In de liturgie vormen Advent, Kerstmis, Onnozele Kinderen (28 december), het Feest van de Heilige Familie (zondag tussen kerst en nieuwjaar), Driekoningen (6 januari) en het Doopsel van Jezus (zondag na 6 januari) samen de 'Kerstkring'.

 


Eens zal het licht hier schijnen,
Van oost tot west
van zuid tot noord
Dan zullen schaduwen verdwijnen

-Bob Dylan-

       

De adventskalender

   

Advent… dat is toch de maand voor kerst waarop je elke dag een chocolaatje mag eten uit zo’n kartonnen kalender? Klopt! Maar het is nog veel meer. Het is een oude traditie, die in eerste instantie weinig met snoep of chocola te maken heeft. 

 

In 1839 begon de Duitse theoloog Johann Hinrich Wichern, die kinderen uit arme gezinnen opving, met een kerstkrans met 24 kaarsen. Hij maakte de krans omdat de kinderen hem vaak vroegen wanneer het nu eindelijk kerst was. Nog steeds werd er iedere zondag een grote kaars aangestoken, maar ook brandde er elke dag een kleine kaars. Het begin van de adventskalender?

 

Een adventskalender met luikjes begint op 1 december. Iedere dag een luikje openmaken: een tekening vroeger, een snoepje, een prullaria nu? Wie herinnert zich niet de nostalgische adventskalender versierd met zilverglitters, met deurtjes voorzichtig opengepeuterd werden en die elk jaar moeizamer dicht gingen? Nu is het meer consumptie en wegwerp of een eigen creatie. Van sokjes tot doosjes en van zakjes tot enveloppes. Soms heeft het nog iets met het christelijk geloof te maken, maar ook niet-christenen gebruiken de kalender als een leuke manier om (met de kinderen) af te tellen naar Kerst. Hebt u er al eentje in huis?

 

EEN VERGETEN GRAF IN MAURIK -

NOEM HEN, BEVESTIG HUN BESTAAN

  

Tijd en plaats van het verhaal

Eind oktober. Een stralende najaarszon, een knisperend pad vol bladeren, een strakblauwe hemel, de geuren en de kleuren van de herfst. Nog enkele dagen en het is weer Allerheiligen, Allerzielen. Op de kerkhoven mensen in de weer met water en zeep, borstels en harkjes, armenvol chrysanten of elegante bloemstukken. Zo ook in Maurik – een dorpje in de Nederlandse provincie Gelderland -: sloten en plassen, keurige boerderijen en doorzonwoningen, blinkend gelapte ramen, bloemen op het erf of op de vensterbank. Een dorp ook met twee geloofsgemeenschappen: Nederlands-hervormd en rooms-katholiek. De laatste groep altijd al een minderheid. Toch is er het kleine kerkje Onze-Lieve-Vrouw ten Hemelopneming (de oude kerk van 1820 werd in 1949 vervangen door een nieuw gebouw) met vlakbij het rooms-katholieke kerkhof aan de Buitenweg. Dit is de tijd en de plaats van het verhaal en nu de actie.

  

De actie

De graven liggen er weer netjes bij, de portretjes van ma en pa gepoetst, de letters op het graf van oma en opa opnieuw leesbaar en nog een restje dreft in de fles. In dezelfde gang een vergeten grafsteen: mos en verwering maken naam, jaartal en geboorteplaats vrijwel onleesbaar. Het fotootje – een jongen nog, geen man – vraagt om een tweede blik. Dus, opnieuw even schoonmaken, lezen – “Eduard Joos, geboren te Willebroeck den 22 November 1909, overleden te Maurik den 26 Juni 1926. R.I.P.”. Zich vragen stellen en uitzoeken waarom een 16-jarige jongen uit Willebroek 150 km verder op een kerkhof in Maurik begraven wordt…

  

Vragen stellen en uitzoeken

Iemand van 16 sterft niet zomaar. Krantenarchieven brengen duidelijkheid.

 

De originele overlijdensacte vermeldt het volgende: ‘Overledene Eduard Joos, oud 16 jaar en van beroep schipper. Zijn ouder heetten Jan Camiel Joos en Maria Augustina Seghers. Datum van overlijden Donderdag 1 Juli 1926 en als gebeurtenisplaats Beusichem. Peter van Doorne, 40 jaar, gemeenteveldwachter te Beusichem en zijn collega Jan Hendrik van Weelderen en ook 40 jaar. Tijdstip van overlijden was 10 uur. Eduard was geboren te Willebroeck (aan de rivier de Schelde onder Antwerpen) en wonende te Buggenhout.’

Twee veldwachters als aangevers van een overlijden doen een belletje rinkelen. Daar moet iets aan de hand zijn. De overlijdensacte wijst Beusichem aan als overlijdensplaats, maar de grafzerk noemt Maurik. Daarom verder gezocht in de couranten. Met heel wat resultaat.

In de Nieuwe Tielsche Courant staat het volgende: ‘Maurik: Gisterenmorgen heeft op den Rijn een droevig ongeluk plaats gehad. Terwijl de 17-jarige zoon van Camiel Joost bezig was met het verrichten van enkele werkzaamheden (bakstenen laden) sloeg hij plotseling over boord om voor de oogen van zijn vader te verdrinken. Niettegenstaande deze onmiddellijk al mogelijke pogingen in het werk stelde om zijn zoon te redden. Als tragische bijzonderheid kan hierbij nog worden gemeld, dat hij de eenige zoon is en de moeder op het oogenblik in een ziekenhuis in België wordt verpleegd.'

Maurik of Beusichem? ‘Beusichem: Donderdagmorgen, omstreeks elf uur werd door de parlevinker Furman uit Ravenswaaij bij de gemeenteveldwachter aangifte gedaan, dat door hem even tevoren drijvende in de rivier de Lek een lijk was gevonden, vermoedelijk afkomstig van de op Zaterdag 26 Juni in Amerongen over boord geslagen Belg Eduard Joos’, dixit de Culemborgse Courant.‘Aangezien de overledene RC was en de vader zijn kind gaarne op een RC begraafplaats ter aarde besteld wilde hebben werd het lijk hier denzelfden dag gekist en overgebracht naar Maurik’

   

Het graf

‘De staande zerk is gemaakt van Namense hardsteen van eerste kwaliteit. De afgeknotte stele – die duidt op een jong iemand - wordt gemarkeerd door hardstenen banden met daarop zes paaltjes, waartussen oorspronkelijk kettingen hingen. Boven de tekst is een korenaar – in de bijbel symbool van Christus – en een cirkel met vijf sterren uitgehouwen. De cirkel staat voor geboorte en sterven, de vijf sterren voor de vijf spijkerwonden van Christus. De grafsteen is ongetwijfeld een getuigenis van het verdriet van het schipperspaar, van hun geloofsovertuiging, van de kwetsbaarheid en vluchtigheid van het bestaan.’ (Een afbeelding van het graf vindt u onderaan de tekst)

Vandaag, op de dagen van Allerheiligen en Allerzielen, brandt er opnieuw een kaars.

  

Een sporenonderzoek in Willebroek

De vraag rijst: wie poetst, beschrijft en zoekt er zo gedreven naar het verhaal achter een graf? Mensen die begaan zijn met het behoud van het historisch funerair erfgoed zoals Jan Hogendoorn, provinciaal adviseur van de Nederlandse stichting Terebinth.

En hij zocht verder. Hoe is het de ouders ondertussen vergaan? Zijn er nog verwanten te vinden bij de zuiderburen? Een mail naar de parochie Willebroek kan misschien nog meer sporen blootleggen?

De oogst aan feiten is eerder mager maar ook weer niet niks. Na wat zoekwerk in de parochieregisters van de Sint-Niklaaskerk ontdekten we onderaan een vergeelde bladzijde deze keurig leesbaar neergepende tekst:

290 Joos – Vigesima octava Novembris baptiratus est, Eduardus Joos, natus vigesima secunda hujus, verspere hora quinta, filius Ioannis Cornellis ex Buggenhout et Mariae Augustinae Seghers ex hac, junctorum in hac, susceperunt Eduardus Seghers et Joanna Festinel. Quod attestor, K. Somers vic.’ ‘Doop 290: Joos – Op 28 november werd gedoopt Eduard Joos, geboren 22 november om 5 uur ’s avonds, zoon van Johannes Cornelis uit Buggenhout en Maria Augustina Seghers van hier, hier getrouwd, peter en meter Eduard Seghers en Joanna Festinel, bevestigd door K. Somers, priester.

In het online doopregister 1813-1892 van dezelfde kerk lezen we op 1 maart 1886 de geboorteaangifte van moeder Maria Seghers als dochter van Jozef Eduardus Seghers en Clara Delphina Meul uit De Klinge. In de kiezerslijst 1906-1907 van de gemeente Willebroek staat opa en peter Eduard vermeld met volgende info: geboren in Willebroek op 13 april 1864, gehuwd op 21 december 1883, beroep dagloner, adres: Fabrieksstraat 15, een huizenrijtje naast het voormalige papierfabriek De Naeyer aan de vaart. Mogelijk zocht schippersvrouw Maria haar ouders op voor de bevalling en werd de kleine Eduard daar geboren? De geboorteacte bevestigt dit.

Volgens het krantverslag van het ongeluk had het echtpaar een woning aan wal, in het Scheldedorp Buggenhout, letterlijk een pied-à-terre voor de oude dag. Maar zoals alle schipperskinderen groeide Eduard ongetwijfeld op aan boord. De kneepjes van de handel en wandel in de binnenvaart leerde hij uit de dagelijkse praktijk. De wet op de schoolplicht dateert van 1914 maar kinderen van schippers en van ouders met andere ambulante beroepen glipten vaak door de mazen van het net. De schippersschool van Klein-Willebroek, een internaat waar ook heel wat Nederlandse kinderen onderwijs kregen, werd pas in 1927 opgericht, dus een jaar na de dood van Eduard.

  

Noem mij, bevestig mijn bestaan

16 jaar liggen er tussen de kalligrafie in het doopregister en de gebeitelde letters op de hardsteen. De oogappel van zijn ouders, de schipperszoon die later het roer zou overnemen, zou trouwen en de familielijn verder zetten... het liep anders af. Heeft Eduard Joos geluk gehad? Heeft een restje dreft en een gedreven heemkundige hem kort een naam, een gezicht, een leven gegeven?

 

‘Noem mij, bevestig mijn bestaan’, dichtte Neeltje Maria Min. Een recht voor iedereen, ook voor wie vandaag de dag letterlijk verdwijnt en verzwindt in de golven.

  

Met dank aan de heer Jan Hogendoorn, provinciaal adviseur van de Nederlandse stichting Terebinth

  

Kanttekening: een parlevinker is een varende kruidenier met mondvoorraad voor de binnenschippers; Willebroeck ligt aan het zeekanaal Brussel-Schelde, niet aan de Schelde zelf, kleine vergissingen uit het pre-googletijdperk waar niemand over struikelt;  www.online-begraafplaatsen.nl  is een uitstekende site boordevol informatie en beeldmateriaal over graven en kerkhoven in Nederland.

 

   

 

 

BELOKEN, BESLOTEN, BELUIK - OP WANDEL TUSSEN WOORDEN

 

‘Op Beloken Pasen de luiken van het beluik opengooien en oogluikend genieten van de ontluikende lente.’ Een enigszins ongewoon klinkende zin met vijf woorden uit eenzelfde familie. Een wandeling tussen woorden.

Beloken Pasen – de zondag na Pasen

Beloken Pasen is een woord dat we alleen rond deze tijd van het jaar in de mond nemen. Het slaat op de zondag na Pasen, de dag die de paasweek afsluit. De Latijnse naam van Beloken Pasen is Dominica in albis – zondag in witte kleren. Het is een verwijzing naar de witte jurken van de doopleerlingen. Een paus die van decorum houdt draagt dan speciale witte koorkledij, een witte satijnen mozetta of schouderstuk afgezet met bont. Vandaar de Duitse benaming Witte Zondag. De orthodoxe kerk noemt hem Thomaszondag. De oosterse kerken vieren het feest van de ‘ongelovige Thomas’ op deze eerste zondag na Pasen. Een mooie uitleg over de etymologie van het woord ‘beloken’ valt te lezen in de bijdragen van de lokale geloofsgemeenschappen van deze en vorige week.

Luiken en ontluiken

Wat luiken zijn, weten we allemaal. Luiken, rolluiken, in de volksmond ‘persiennes’ of ‘blaffeturen’ of als zoals men het tegenwoordig benoemt: ‘zonnewering’. Uitvoering, vormgeving en materialen maken het verschil, maar uiteindelijk dienen ze een zelfde doel: een ruimte afschermen en afsluiten. Luiken, nu enkel gebruikt als zelfstandig naamwoord, vroeger ook als werkwoord met als betekenis sluiten. Tegengestelde van ontluiken, openen.

De 19de eeuwse stadsbeluiken

Een beluik is echter een woord met een ietwat minder fraaie connotatie. De opkomst van de beluiken gaat hand in hand met de opkomst van de industrie in de 19de eeuw. Boeren en buitenlui die in de fabrieken werk zochten en vonden, hadden een onderkomen nodig in de buurt. De cités, de impasses waren een groep van eenvoudige arbeiderswoningen gebouwd rond een omsloten binnenplaats, typisch voor steden als Gent en Brussel. De levensomstandigheden waren lamentabel. Zo was er vaak maar één toilet voor het hele beluik, water haalde men uit een gemeenschappelijke pomp en de open goot in het midden verzamelde alle afval. De meeste huisjes waren klein en bedompt, nauwelijks een vertrek groot. Soms werden de huisje gegroepeerd rond straten, stegen of pleintjes of met een toegang over de hele straatbreedte, afhankelijk van de beschikbare ruimte. De term 'beluik' is afgeleid van het oude werkwoord 'luiken', wat afsluiten betekent. Deze steegjes hadden vaak namelijk maar een ingang, die vaak 's nachts kon worden afgesloten. Verre en primitieve voorlopers dus van de ruim bemeten, gezonde en groene tuinwijk of van het gezellige woonerf.

Het Nederlandse hofje

En dan is er het fraai klinkende Nederlandse hofje: een binnenplaats of binnentuin met daarrond een aantal meestal kleine woninkjes. De Nederlandse versie van de overwegend Vlaamse begijnhoven. De liefdadigheidshofjes dateren uit de 13de tot 19de eeuw. Bedoeld voor ouderen – meestal vrouwen – met weinig geld. Soms waren ze onderdeel van de sociale voorzieningen van een bepaalde kerk of een andere doelgroep: schippers, hofpersoneel of onderofficieren. Klein, keurig en netjes wonen rond een idyllische binnentuin, zo ogen de hofjes her en der te vinden in Nederlandse stadscentra nu. De hofjes in Leiden zijn een schoolvoorbeeld van sociale zorg in vervlogen tijden: dicht bij elkaar staande huisjes op kleine stukjes grond die in de volgebouwde stad overgebleven waren, bij testament gesticht door particulieren. Door de ligging binnen een huizenblok zijn de kleine en sobere huisjes meestal aan de achterzijde geheel gesloten, met ramen alleen aan de kant van de gemeenschappelijke tuin. Daar stond altijd een pomp, één of twee gemeenschappelijke toiletten en een wasgelegenheid. Het aantal huisjes was – zeker bij de oudste hofjes – ten minste twaalf. Dit was gerelateerd aan de twaalf apostelen. Omwille van Jezus en Maria kon er dan een dertiende en veertiende huisje bijkomen. De (katholieke) stichters gaven "hun" hofje de naam van een heilige of van een bijbelse plaats. Bij deze hofjes werd meestal een kapel toegevoegd, nu vaak gesloopt. De latere hofjes werden vaak naar de stichters of regenten vernoemd. En des te aanzienlijker en rijker de stichter, des te fraaier werd de poort naar het hofje, soms met als uitbouw een representatieve rijk uitgevoerde regentenkamer.

Net als onze begijnhoven was een hofje vaak ommuurd en alleen toegankelijk via één of twee ingangen die vaak om om 10 uur ’s avonds werden afgesloten. Op die manier kon niemand ongemerkt binnenkomen en was de veiligheid van de bewoners gegarandeerd. Vele hofjes hadden een portier die het hofje beheerde. De arbeidershofjes daarentegen waren sloppen, bedoeld om de naar de stad getrokken arbeiders te huisvesten, net als onze beluiken. Hele gezinnen woonden er in armoede. In die tijd was voor het bouwen van woningen, die niet vanaf de straat te zien waren, geen vergunning nodig.

Van het hofje naar het godshuis

Oudere alleenstaande mannen met weinig inkomsten konden vanaf de 16de eeuw terecht in het oudemannenhuis, een bejaardenhuis avant la lettre. Als alleenstaande vrouwen meestal goed hun plan konden trekken in de hofjes, was dat voor mannen veel minder het geval, vandaar de nood. Net als de hofjes werden oudemannenhuizen vaak gebouwd als liefdadigheid, het wonen was meestal kosteloos en werd als een gunst beschouwd. De regenten verlangden dat de bewoners zich deugdzaam gedroegen, zo was kerkbezoek verplicht en damesbezoek of dronkenschap verboden. Overtrad men de regels dan volgde meestal huisarrest. Het leven was simpel en sober: de mannen deelden een zaal en ieder had zijn eigen ingebouwde bedstee. Wie toch nog een appeltje voor de dorst had, kon terecht in het betere Proveniershuis. Daar was het verblijf niet kosteloos, de mannen moesten zich inkopen. Ook Vlaanderen had zijn godshuizen: liefdadigheid van rijke burgers met het oog op een plekje in de hemel of sociale bewogenheid van verenigingen.

Het begijnhof, het Vlaamse hofje

Het begijnhof als bijzondere ruimtelijk gesitueerde stedelijke bewoningsvorm wordt alleen in de Nederlanden aangetroffen, sporadisch in Noord-Nederland en Wallonië. De eerste verschijnen in de 12de eeuw, na verloop van tijd kennen de Nederlanden er een 70-tal. De begijnenbeweging waaruit deze bewoningsvorm voortkwam is in de late middeleeuwen een alom voorkomend Europees fenomeen. Om politieke en religieuze redenen stierf de beweging voor 1400 uit in de rest van Europa, en werd in de Lage Landen sterk aan banden gelegd. In Vlaanderen, de Zuidelijke Nederlanden, hadden de meeste zichzelf respecterende steden een begijnhof. Mechelen, Lier, Diest, Turnhout, Dendermonde… het zijn nog steeds oases van rust.

Het besloten of beloken hofje

En om te eindigen zijn er de miniatuurtjes, de ‘Besloten Hofjes’. Een besloten of beloken hofje is de naam van een gesneden retabelkast die bestaat uit een ondiepe houten bak met daarin een aantal gebeeldhouwde figuurtjes en decoratieve en devotionele voorwerpen, die een religieuze voorstelling weergeven, gekaderd in een tuin.- Of, oneerbiedig gezegd: een middeleeuwse religieus poppenhuisje.- De naam van dit type kunstwerk verwijst naar de besloten tuin uit het Hooglied van koning Salomon. Hij bezingt zijn bruid en het aardse paradijs als een ‘hortus conclusus’, een ‘besloten hof’. Wild woekerende planten en bloemen verwijzen naar het paradijs, sommige symbolen komen steeds weer terug: de eenhoorn, druiventrossen en het lam. De grootste samenhangende groep is afkomstig uit Mechelen. Deze prachtige16de eeuwse verzameling – te vinden in het Hof van Busleyden - bestaat uit zeven besloten hofjes vermoedelijk bij wijze van spirituele oefening gemaakt door de Onze-Lieve-Vrouw-Gasthuiszusters Augustinessen.

Een hele wandeling: van een paaszondag over hoven van barmhartigheid naar kloosterdevotie.

  

 

 

 

 

EEN LOGO VOOR PAROCHIE WILLEBROEK

 

  

Het is hier en daar al opgedoken, het nieuwe logo voor de nieuwe parochie Willebroek. Een hoopje kleuren, enkele vlakken, een woord… een geheel? Mogen we u overtuigen?

  

Water

Allereerst is er het water dat van Willebroek een kanaalgemeente in het Rivierenland maakt. Water brengt rust, openheid, weidse luchten en groen. Water geeft beweging en dynamiek: zeeschepen en aken passeren, mensen komen, blijven of gaan, brengen nieuwe ideeën en weten de waarde van traditie te bevestigen. In de getande golven van het water zitten sporen van raderen en wielen die machines in gang zetten, sporen van de 19e en 20e eeuwse industrie die het landbouwdorp Willebroek op de kaart plaatste.

  

Vier lokale gemeenschappen

De vier gelijke vierkanten stellen natuurlijk de vier lokale geloofsgemeenschappen Blaasveld, Heindonk, Tisselt en Willebroek voor. Om hen draait het tenslotte. Laat iedere gemeenschap er zijn voorkeurskleur maar uitpikken. De gustibus et coloribus non est disputandem of over kleuren en smaken valt niet te twisten. Samen vormen de vier vierkanten een kruis dat verankerd staat in het water. Onbewust onderhuids aanwezig. Hoop, geloof en liefde… kortom: God in ons midden.

  

De cirkel is rond

En waar zijn de kerktorens en de bruggen, een schitterend beeld van ontmoeting toch? We kozen voor een (bijna) cirkel, de rode letter O, de meest volmaakte vorm, symbool voor hemel, oneindigheid en spiritualiteit.

Op mensenmaat ook symbool voor samen-leven, ring en kring vormen, ondersteuning en schuilplaats, geborgenheid zonder uitsluiting. Deel uitmaken van de keten van het leven met zijn diverse schakels die soms wel maar vaak niet harmonieus in mekaar klikken. Het dagdagelijkse gekissebis overstijgen, in kleine stapjes naar mekaar toegroeien. Weten dat we allemaal hetzelfde nastreven: gelukkig zijn en anderen gelukkig maken, ook op de onrustige of rusteloze dagen.

Zo ontmoeten het tijdelijke en het eeuwige, het materiële en het diepere bewustzijn mekaar en is de cirkel rond.

Een kleine cirkel. Geef hem tijd om te groeien!

  

Het schip

En het beeld als geheel: een gastvrij schuitje, een zeewaardig schip, een boot vol nieuwe uitdagingen, soms simpelweg een vlot of een trekschuit,… Het is wat u ervan wil maken!

  

Tot slot

Tot slot een greep uit de woorden van paus Franciscus, van toepassing op de geloofsgemeenschap hier:

De kerk wordt gezonden om overal hoop te wekken, vooral daar waar deze hoop gewurgd wordt door moeilijke omstandigheden. Waar de hoop niet kan ademen, stikt hij. Er is nood aan de zuurstof van het Evangelie, aan de adem van de Geest van de Verrezen Christus.

De kerk is een huis waarvan de deuren altijd openstaan, niet alleen opdat elkeen er onthaal zou vinden en liefde en hoop kan inademen, maar ook opdat wij naar buiten zouden kunnen gaan om hoop en liefde te geven. De Heilige Geest vuurt ons aan om onze omheining te verlaten.

Het baat niet om zich in veel bijkomstige en overbodige zaken te verliezen. Het komt erop aan zich toe te spitsen op de fundamentele werkelijkheid. Het dringt ons nieuwe wegen te gaan, met moed en zonder te verstarren.’

 

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries